
Een aantal jaren geleden schreef ik al over de visie van de Australische bioloog Jeremy Griffith op de menselijke conditie. Zijn centrale vraag is even eenvoudig als groot:
Waarom zijn wij mensen in staat tot zoveel liefde, samenwerking en compassie, maar tegelijkertijd ook tot egoïsme, agressie, oorlog, schuld, angst en vervreemding?
Volgens Griffith begrijpen we onszelf nog altijd onvoldoende omdat we voor dit tegenstrijdige gedrag lange tijd vooral hebben gekeken naar onze dierlijke oorsprong. Competitie, agressie en egoïsme zouden voortkomen uit instincten die gericht zijn op overleven, voortplanting en het doorgeven van onze genen.
Griffith komt met een heel andere verklaring.
Volgens hem ligt de kern van de menselijke conditie niet simpelweg in een stel agressieve dierlijke instincten. Hij ziet de oorzaak vooral in een psychologisch conflict dat ontstond toen de mens een bewust denkend intellect ontwikkelde tegenover veel oudere instinctieve oriëntaties. Dat conflict zou uiteindelijk hebben geleid tot onze onzekerheid, boosheid, bewijsdrang, egocentriciteit en vervreemding.
Zijn we dan niet van nature agressief?
Griffith verzet zich sterk tegen het idee dat de mens simpelweg een egoïstisch dier is dat genetisch geprogrammeerd is om anderen te overtreffen. Hij wijst erop dat menselijk gedrag een enorme psychologische dimensie heeft.
We kunnen ons schuldig voelen. We schamen ons. We willen erkenning. We kunnen depressief, onzeker, cynisch, liefdevol, idealistisch of vervreemd raken. We kunnen ons gedrag beoordelen en ons afvragen of we goed genoeg zijn. Dat gaat volgens Griffith veel verder dan een dier dat alleen instinctief probeert te overleven.
Tegelijkertijd weten we uit hedendaags onderzoek dat biologie en genen niet helemaal buiten beeld kunnen worden gelaten. Onderzoek naar agressie laat juist een complex samenspel zien tussen genetische aanleg, ontwikkeling, omgeving en sociale omstandigheden. Tweelingonderzoek vindt bijvoorbeeld een aanzienlijke erfelijke component in verschillen tussen mensen, maar zeker geen enkel ‘agressie-gen’ dat ons gedrag bepaalt. Daarmee is Griffiths uitspraak dat agressie niets met onze genen te maken heeft te absoluut. Maar zijn grotere vraag blijft interessant:
Is ons destructieve gedrag werkelijk alleen een rechtstreeks overblijfsel van dierlijke competitie of speelt er bij de mens iets psychologisch dat veel dieper gaat?
De mens als coöperatieve soort
Een ander belangrijk onderdeel van Griffiths theorie is zijn idee dat onze vroege voorouders beschikten over sterk coöperatieve en verzorgende instincten.
Hij verwijst daarbij veel naar bonobo's, een van onze nauwste levende verwanten. Bonobo's laten inderdaad opvallende vormen van sociale tolerantie, voedsel delen en samenwerking zien. Onderzoek heeft zelfs samenwerking tussen leden van verschillende bonobogroepen beschreven, iets wat interessant is voor onderzoek naar de evolutionaire wortels van menselijke samenwerking. Maar ook hier is het beeld inmiddels genuanceerder dan het vroegere idee van de volledig vreedzame ‘hippie-aap’.
Bonobo's kunnen eveneens agressief gedrag vertonen. Een onderzoek uit 2024 vond binnen de onderzochte populaties zelfs meer agressieve interacties tussen mannelijke bonobo's dan tussen mannelijke chimpansees. Tegelijkertijd verschilt de vorm van agressie: bonobo's vertonen onder andere minder man-tot-vrouw-agressie, terwijl hun sociale systemen veel ruimte laten voor tolerantie en samenwerking.
Dus het beeld is niet zwart-wit.
En misschien maakt dat de grotere vraag juist interessanter: de evolutionaire geschiedenis van de mens lijkt ruimte te bieden aan zowel competitie als buitengewone samenwerking.
Instinct versus intellect
Dit brengt ons bij de kern van Griffiths verklaring. Volgens hem veranderde er iets fundamenteels toen onze voorouders een steeds sterker bewust denkvermogen ontwikkelden. Een instinct geeft een organisme als het ware een reeds gevormde oriëntatie: doe dit, vermijd dat, volg deze route.
Een bewust intellect werkt anders. Het wil experimenteren, oorzaak en gevolg begrijpen en uiteindelijk zelf bepalen wat het beste is. Volgens Griffith moest er daardoor onvermijdelijk een conflict ontstaan. Om dit begrijpelijk te maken gebruikt hij zijn bekende verhaal van Adam de ooievaar.
Adam de ooievaar
Stel je een ooievaar voor die ieder jaar instinctief dezelfde migratieroute volgt. Hij vraagt zich niet af waarom hij die route vliegt. Hij volgt gewoon de oriëntatie die door evolutie in zijn soort is ontstaan. Griffith noemt hem Adam.
Maar stel nu dat Adam ineens een volledig bewust denkvermogen krijgt. Tijdens zijn reis ziet hij een interessant eiland. In plaats van automatisch de gebruikelijke route te volgen, denkt hij:
Wat gebeurt er als ik daar eens ga kijken?
Voor het eerst experimenteert hij zelf met zijn omgeving. Maar zijn instinctieve oriëntatie zegt als het ware: Nee. Je moet deze kant op. Adam begrijpt nog niet waarom zijn eigen bewuste keuze afwijkt van zijn instinct. En precies daar ontstaat volgens Griffith het probleem. Adam kan nog niet uitleggen waarom het gerechtvaardigd is dat hij zijn eigen weg onderzoekt. Zijn instinct vertelt hem alleen dat hij verkeerd handelt.
Hij begint zich daardoor als het ware veroordeeld te voelen.
Boosheid, ego en vervreemding
Wat gebeurt er als een bewust wezen voortdurend het gevoel krijgt dat het iets verkeerd doet, terwijl het niet begrijpt waarom? Volgens Griffith ontstaan dan drie reacties.
- We gaan ons verdedigen tegen de kritiek.
- We zoeken bevestiging dat we wél goed en waardevol zijn.
- En we proberen het pijnlijke conflict uiteindelijk zoveel mogelijk buiten ons bewustzijn te houden.
Daaruit verklaart Griffith onze boosheid, bewijsdrang, egocentriciteit en vervreemding.
Het ego wordt binnen deze redenering niet simpelweg gezien als iets slechts. Het wordt een psychologische verdediging.
- We willen winnen.
- We willen erkenning.
- We willen bewonderd worden.
- We willen gelijk krijgen.
- We willen bewijzen dat we ertoe doen.
Niet noodzakelijk omdat we van nature slecht zijn, maar omdat er volgens Griffith diep onder dat gedrag een enorme onzekerheid over onze eigen waarde ligt. Dat vind ik een van de interessantste onderdelen van zijn theorie.
Want ineens wordt egoïstisch of agressief gedrag niet alleen bekeken vanuit de vraag:
“Wat is er mis met deze persoon?”
maar ook:
“Waartegen probeert deze persoon zich eigenlijk te verdedigen?”
De menselijke conditie als psychologisch conflict
Volgens Griffith is dat wat hij de menselijke conditie noemt.
De mens ontwikkelde een bewust intellect en moest zelfstandig leren begrijpen hoe de wereld werkt. Maar zolang we niet konden verklaren waarom ons bewuste zoeken naar kennis botste met onze oudere instinctieve oriëntaties, bleven we achter met het gevoel dat er fundamenteel iets mis met ons was.
Onze bewuste ontwikkeling had daardoor een prijs. Griffith ziet de menselijke geschiedenis dan ook niet alleen als het verhaal van een destructieve soort, maar eveneens als een enorme zoektocht naar kennis, zelfbegrip en uiteindelijk verzoening met onszelf.
Adam en Eva: een oude metafoor?
Vanuit dat perspectief kijkt Griffith ook naar het Bijbelse verhaal van Adam en Eva. Hij leest het verhaal van de boom van kennis niet alleen religieus, maar als een oude symbolische verbeelding van dezelfde overgang.
Adam en Eva eten van de boom van kennis. Ze worden zich bewust. Vervolgens ervaren ze schaamte, oordeel en verwijdering en verlaten zij de oorspronkelijke Hof van Eden.
Volgens Griffith kun je daarin een metafoor herkennen voor de overgang van een oorspronkelijke instinctieve toestand naar een bewust, zelfreflecterend bestaan. Niet kennis zelf maakte de mens volgens hem ‘slecht’. Het probleem was dat de mens de gevolgen van zijn nieuw verworven bewustzijn nog niet kon begrijpen en verklaren.
Ook in het werk van Plato en andere oude denkers ziet Griffith verwijzingen naar een verloren oorspronkelijke staat en naar de innerlijke verdeeldheid van de mens. Hij presenteert deze oude verhalen niet als biologisch bewijs, maar gebruikt ze als aanwijzingen dat mensen al duizenden jaren proberen woorden en beelden te vinden voor die innerlijke menselijke strijd.
Wat zegt het huidige onderzoek?
Griffith presenteert zijn instinct-versus-intellectverklaring als dé biologische oplossing voor de menselijke conditie. Daar moeten we wel onderscheid maken tussen zijn theorie en wat binnen de wetenschap als breed vastgesteld geldt.
Een aantal onderdelen raakt duidelijk aan bestaand onderzoek.
Mensen hebben een uitzonderlijk vermogen tot samenwerking. Bonobo-onderzoek laat zien dat ook onze naaste verwanten veel complexer sociaal gedrag vertonen dan het eenvoudige beeld van uitsluitend competitie. Recente studies laten zelfs samenwerking tussen niet-verwante bonobo's uit verschillende groepen zien.
Tegelijkertijd ondersteunt de huidige gedragsgenetica niet Griffiths sterkere bewering dat agressief gedrag niets met genetische factoren te maken heeft. Het gangbare wetenschappelijke beeld is veel meer dat gedrag ontstaat uit een ingewikkelde wisselwerking van genen, hersenen, ontwikkeling, ervaringen, cultuur en omgeving.
Ook de tegenstelling ‘vreedzame bonobo versus agressieve chimpansee’ blijkt te eenvoudig. Beide soorten laten afhankelijk van context, geslacht en sociale omgeving zowel tolerantie als agressie zien.
Dat maakt Griffiths overkoepelende verklaring geen gevestigde wetenschappelijke consensus. Maar dat betekent voor mij niet dat zijn theorie daarom oninteressant is. Hij stelt namelijk een vraag die in puur genetische verklaringen gemakkelijk uit beeld raakt:
Wat gebeurt er psychologisch met een wezen dat zichzelf kan beoordelen, twijfelen aan zijn eigen waarde en voortdurend probeert te begrijpen waarom het handelt zoals het handelt?
Zijn wij dan de helden in plaats van de schurken?
Hier krijgt Griffiths verhaal zijn meest optimistische wending. Als onze boosheid, egocentriciteit en vervreemding niet betekenen dat de mens fundamenteel slecht is, maar mede voortkomen uit een lange en pijnlijke zoektocht naar begrip, verandert volgens hem ook de manier waarop we naar onszelf kunnen kijken.
Dan zijn wij niet alleen de soort die oorlog voert, anderen beschadigt en de aarde uitput. We zijn ook de soort die probeert te begrijpen.
- Die wetenschap ontwikkelt.
- Die kunst maakt.
- Die liefheeft.
- Die zichzelf ter discussie kan stellen.
- Die schuld ervaart.
- Die naar betekenis zoekt.
- En die bewust kan proberen het anders te doen.
Griffith noemt de menselijke zoektocht naar kennis daarom uiteindelijk heroïsch. Dat is ook waarom hij zoveel betekenis hecht aan het begrijpen van de menselijke conditie: wanneer de mens eindelijk begrijpt waar zijn innerlijke conflict vandaan komt, zou de noodzaak om zichzelf voortdurend te verdedigen en te bewijzen volgens hem kunnen afnemen.
Van onbewust naar volledig bewust
En daarmee komen we terug bij de kern. Volgens Griffith kunnen we niet simpelweg terug naar een oorspronkelijke, onschuldige toestand. We kunnen de ontwikkeling van ons bewustzijn niet ongedaan maken. Maar misschien kunnen we wel vooruit.
Niet terug naar onschuld omdat we niets weten, maar naar een vorm van heelheid waarin we onszelf beter begrijpen. Dat is wezenlijk anders.
De vraag wordt dan niet alleen:
Hoe word ik gelukkig?
Maar:
Waarom zijn wij mensen zo verdeeld geraakt tussen liefde en angst, samenwerking en competitie, verbondenheid en vervreemding?
Griffith gelooft dat wanneer we dat werkelijk begrijpen, er iets fundamenteels kan veranderen in hoe we naar onszelf en naar elkaar kijken. Of zijn theorie uiteindelijk de volledige verklaring van de menselijke conditie blijkt te zijn, is een grotere vraag. Maar de gedachte waarmee hij ons achterlaat, vind ik nog steeds waardevol:
Misschien hoeven we de donkere kanten van de mens niet alleen te veroordelen. Misschien moeten we ze eerst begrijpen.
Beluister de video:









